Webmail Wachtwoord vergeten?

Waterpolo


Geschiedenis
De geschiedenis van het waterpolo begint in 1869 in Engeland. Een aantal zwemmers
bedacht een spel met een bal: ‘voetbal in het water’. Het spel leek op waterpolo. Maar een
paar spelregels waren anders. Nu maak je bijvoorbeeld een doelpunt door de bal tussen
de doelpalen te gooien. Vroeger waren er nog geen doelen. Elke partij had een eigen
mat. Je maakte een punt door de bal op de drijvende mat van de tegenpartij te leggen.
Sommige spelregels zijn wel hetzelfde gebleven. Net als bij het huidige waterpolo mocht
je niet op de bodem van het zwembad staan. Ook mocht je de bal niet met twee handen
vangen. De spelregels werden regelmatig veranderd. In het begin was waterpolo een sport
die alleen in Engeland, Ierland en Schotland werd gespeeld. Vanaf 1894 werd het spel ook
gespeeld in de rest van Europa. In 1900 in Parijs was waterpolo de eerste teamsport op de
Olympische Spelen.

Speelduur
Een wedstrijd bestaat uit vier perioden. Het verschilt per leeftijd hoelang een periode
duurt. Bij de allerjongsten duurt een periode vier minuten. Bij de volwassenen duurt een
periode acht minuten. Als het spel stil ligt wordt de klok stop gezet.

Teams
Twee teams spelen tegen elkaar. Per team liggen er zes spelers en een keeper in het
water. Er mag vaak gewisseld worden. Begin van de wedstrijd De twee teams liggen
bij hun doel. De scheidsrechter gooit de bal in het midden. Hij fluit. Dan mag iedereen
naar de bal zwemmen. Het team dat de bal als eerste heeft, mag verder spelen. De
winnaar Het team met de meeste doelpunten wint de wedstrijd. Scheidsrechter en
jury Een scheidsrechter zorgt ervoor dat de wedstrijd goed verloopt. De spelers kunnen
de scheidsrechter in het water niet goed horen. Daarom gebruikt de scheidsrechter
handgebaren en een fluitje. Ook is er een jury. De jury let op de tijd, houdt de score bij en
houdt bij wie eruit gestuurd wordt.

Spelregels

De belangrijkste spelregels zijn:
• je mag de bal niet met twee handen vasthouden;
• je mag de bal niet onder water duwen;
• als je de bal vasthebt, mag je tegenstander je aanraken. Hij mag je voorzichtig onder
duwen.
• ook mag hij proberen de bal af te pakken;
• je mag niet op de bodem staan of aan de kant hangen;
• als je een vrije bal hebt, mag je niet aangevallen worden.

Manmeer
Als je een zware overtreding maakt, word je uit het water gestuurd. Bijvoorbeeld als je
iemand aan zijn benen trekt. Je moet dan in een hoek van het zwembad gaan liggen. De
tegenpartij heeft dan een ‘man meer’. Zij proberen natuurlijk een doelpunt te maken.
Na twintig seconden mag je weer terugkomen. Maar als je drie keer uit het water wordt
gestuurd mag je niet meer meedoen aan de wedstrijd.

Materiaal
In het water liggen twee doelen. Ook liggen er lijnen in het water. De lijnen laten zien waar
het speelveld begint en eindigt. Verder heb je natuurlijk een bal nodig. Kinderen spelen
met een kleine bal. De bal van volwassenen is net zo groot als een voetbal. Wel is de bal
zwaarder dan een voetbal. De zwempakken en zwembroeken zijn vaak superglad. Zo kan
de tegenstander je minder goed vastpakken. Ook heeft elke speler een cap op. Spelers van
hetzelfde team hebben dezelfde kleur cap. De scheidsrechter en het publiek kunnen zo
goed zien wie er bij elkaar horen. Alleen de keeper heft een andere kleur cap. Op de caps
staat een nummer.

Training
Op een training is aandacht voor: – snelheid: Snelheid is belangrijk tijdens een wedstrijd.
Veel trainingen beginnen met een paar banen inzwemmen om op te warmen. Daarna
wordt er een paar banen gesprint. – oefenen met de bal: In het begin is het bijvoorbeeld
best lastig om de bal met één hand te vangen. Ook wordt er veel geoefend met het
schieten op doel. – spelsituaties: Je oefent bijvoorbeeld hoe je kunt scoren als je een
Manmeer situatie hebt.

Toppers
Veel Nederlandse toppers spelen in het buitenland. Daar krijgen ze goed betaald voor het
waterpolo. In Nederland krijgen de meeste waterpoloërs niet betaald. Ze hebben vaak ook
nog een baan of studeren. Bekende waterpoloërs zijn: Iefke van Belkum, Gillian van den
Berg en Daniëlle de Bruijn bij de vrouwen en Gerben Silvis, Marc Nolting en Robert van
den Hoogenband bij de mannen.

En verder…
Vanaf 1990 gingen er steeds minder kinderen op waterpolo. De KNZB vond dat erg
jammer. Zij bedachten een waterpolojeugdplan. Ze verzonnen speciaal voor kinderen
minipolo. Sindsdien zijn veel jonge kinderen gaan waterpoloën. Minipolo is er voor
kinderen vanaf zes jaar. Met minipolo kunnen kinderen op een leuke manier kennismaken
met het ‘echte’ polo. Minipolo lijkt op waterpolo, maar de spelregels zijn makkelijker. De
jongste kinderen mogen bijvoorbeeld de bal met twee handen vangen, er is geen vaste
keeper en ze mogen in het water staan

© Zwem- en Poloclub De Granaet Dokkum. Alle rechten voorbehouden.

18x21